Een boer plantte nooit zomaar iets, alleen omdat het mooi gevonden werd. Hij moest er iets aan hebben. Essenbomen leverden buigzame, oersterke takken voor stelen van schoppen en ander gereedschap maar ook hekkenpalen. Ook de knotwilg was een belangrijke leverancier van gebruikshout variërend van brandhout, koe- of bonenstaken tot bezems en veevoer. Wilgentakken zijn ook nu nog heel geschikt om hele vlechtwanden mee te maken voor de tuin. De karakteristieke Leilinde diende als natuurlijke zonnescherm en zorgde voor noodzakelijk koelte in de kaaskamer.
En zo had iedere plant die u bij oude boerderijen kunt aantreffen wel iets te bieden. Een boerin had genoeg te doen in het bedrijf van haar en haar man. Dus moest alles zo praktisch mogelijk gedaan kunnen worden. Ook in de tuin. Daarom zult u in een oude boerentuin nooit een groot, geschoren gazon aantreffen. Dat is nu voor de sier maar diende vroeger helemaal nergens voor. Een weitje onder de hoogstamfruitbomen was iets heel anders. Daar kon je jongvee laten lopen, dat had nut. In de moes- en bloementuin groeiden bij voorkeur planten die weinig onderhoud vroegen.
Het boerenerf bood vaak onvoldoende ruimte voor beplanting om aan de eigen behoefte te voldoen. Daarom werd ook buiten het erf beplanting aangelegd. Men gebruikte daar vooral de ruimte die niet of minder geschikt was als productiegrond. Zo werden de knotwilgen langs de perceelranden van het grasland of in de wegbermen geplant. Elzen en essen werden geplant achter op de landscheiding (houtkade) of in kleine bosjes op de kopse kant van een perceel omgeven door een zogenaamde ringsloot. In veel gevallen zijn deze bosjes aangelegd op plekken waar ooit vee, gestorven aan bijvoorbeeld de runderpest, werd begraven. Om verspreiding van ziekten tegen te gaan kon er geen vee meer grazen en werd er maar hout op geplant. Het bovenstaande laat zien dat het begrip meervoudig ruimtegebruik niet van deze tijd is maar al eeuwen geleden volop in praktijk werd gebracht.
